Van de week had ik een prettig gesprek met Hans een ex-coachingscliënt van mij en met zijn manager en personeelsmanager. Twee jaar geleden had ik hem gecoached nadat hij enkele fouten in zijn werk gemaakt had. Het doel van de coaching was om er voor te zorgen dat hij geen fouten meer zou maken in de toekomst. Omdat hij werkt in een ziekenhuislaboratorium zouden fouten risico’s voor patiënten kunnen opleveren. De coaching vond plaats in de periode van januari tot en met oktober en bestond uit zes gesprekken.
Er is een nieuw boek over oplossingsgericht werken!
(ik schreef hierin twee bijdragen):
Doing Something Different -Solution-Focused Brief Therapy Practices
Edited by Thorana S. Nelson.
Recent sprak ik met Mark een medewerker die net een gesprek had gehad met zijn manager. In dit gesprek had de manager hem wat feedback gegeven op zijn werk. Mark vertelde me dat het gesprek startte met twee positieve punten die werden gevolgd door een lijst van tenminste acht negatieve feedback punten. Mark had aantekeningen gemaakt en liet mij het lijstje met feedback punten zien. Hij zei dat hij het gesprek erg demotiverend gevonden had. Terwijl de manager negatieve feedback gaf had hij het moeilijk gevonden om niet defensief te worden. Hij vond de meest feedback niet fair. Ondanks dit, vertelde hij me, was hij kalm gebleven en was het hem gelukt om niet defensief te worden. Het meest demotiverende aspect van het gesprek moest echter nog komen.
Rodney Daut vroeg mij het volgende na het lezen van deze twee berichten: Important brain functions can keep getting stronger well into old age en Speaking words of wisdom: “Dit is interessant. Komt het doordat ons denken complexer wordt dat we meer mogelijkheden zien? Of bieden ze andere theorie voor de toename in positieve en toekomstgerichte taal?”Barbara Strauchs boek The Secret Life of the Grown-up Brain gaat over hoe onze hersenen, anders dan de meeste delen van ons lichaam, niet eenvoudig onderhevig is aan verval vanaf ruwweg ons 35e levensjaar. Hoewel sommige hersenfuncties inderdaad afnemen (bijvoorbeeld het onthouden van namen) is het zo dat veel aspecten van het functioneren van onze hersenen kunnen verbeteren: we worden beter in patroonherkenning, we nemen betere beslissingen dankzij onze zogenaamde tacit knowledge en we ontwikkelen een positievere kijk op het leven terwijl we ouder worden. Het boek ontkracht het idee dat we ergens rond ons 40e ‘over the hill’ zijn en dat we vanaf dat moment maar een kant op kunnen gaan: neerwaarts. Terwijl we ouder worden vervallen onze lichaamsfuncties in veel opzichten maar veel van onze hersenfuncties kunnen sterker blijven worden tot op hoge leeftijd.
In oplossingsgerichte kringen wordt vaak aangenomen dat de schaalvraag voor het eerst ontwikkeld werd in het Brief Family Therapy Center van Steve de Shazer, Insoo Kim berg en hun collega’s. Maar Michael Klingenstierna Hjerth noemde iets interessant op zijn Facebook pagina dat een nieuw licht werpt op het ontstaan van de schaalvraag. Hij citeert een artikel van de Gallup organisatie dat uitlegd dat een interventie met de naam ‘The Cantril Self-Anchoring Striving Scale’ (Cantril, 1965) al wordt gebruikt sinds de jaren 60 en dat dit een favoriete interventie is van Daniel Kahneman. Michael zegt: “goede ideeën worden soms onafhankelijk van elkaar ontdekt en het bestuderen en leren van verschillende versies van een idee is een goede oefening.”
“Wat we van ons leven maken, wordt niet alleen door ons verleden bepaald, maar ook door de manier waarop we dat verleden begrijpen en er gebruik van maken. [...] Ons verleden stelt een kaart samen die niet alleen bestaat uit dingen waar we vandaan komen, maar ook waar we naar toe gaan; die bestaat uit de dingen die we waarderen, waarin we succes en mislukking vinden. Het mooie van deze kaart van de toekomst is dat zij niet in steen is gegraveerd. Met inzicht en inspanning kunnen we deze kaart naar eigen wens vormgeven.”
~Garry Kasparov, in Waarom het leven op schaken lijkt
BOEK RECENSIE: Steele, C.M. (2010). Whistling Vivaldi And Other Clues to How Stereotypes Affect Us. New York, W.W. Norton & Company.
Dit boek van Claude Steele is een voortreffelijk voorbeeld van hoe psychologen waardevolle bijdragen kunnen leveren aan de maatschappij. In het boek schrijft Steele over het werk dat hij en zijn collega’s hebben verricht op het gebied van een verschijnsel dat zij ”stereotype threat’ hebben genoemd. Stereotype threat houdt in de tendens om te verwachten, waar te nemen en beïnvloed te worden door negatieve stereotypen over je sociale categorie, zoals je leeftijd, je geslacht, je sexe, je sexuele oriëntatie, je etniciteit, je professie, je nationaliteit, je politieke kleur, je gezondheidstoestand, enzovoorts.
Experimenten die de impact van stereotype threat laten zien
Toen zij bepaalde prestatieachterstanden van sociale groepen probeerden te begrijpen concentreerden Steele en zijn collega’s zich niet op interne psychologische factoren. In plaats daarvan probeerden ze de mogelijke causale rol van identiteitscontingenties te begrijpen. Identiteitscontingenties zijn de dingen waarmee je moet omgaan als je een bepaalde sociale identiteit hebt. Door de jaren heen hebben ze een serie experimenten uitgevoerd waarin er een controle dimensie was waarin een bepaalde taak onder normale condities werd afgenomen*. In de experimentele conditie was de identiteits contingentie ofwel op slimme wijze verwijderd dan wel doelbewust toegevoegd. Hier zijn drie voorbeelden van experimenten om te verhelderen hoe zij werkten.
Experiment 1: Steele and Aronson (1995)
In dit experiment lieten de onderzoekers Afrikaans Amerikaanse en blanke studenten een zeer uitdagende gestandaardiseerde test maken. In de controle conditie werd de test gepresenteerd zoals normaal gesproken het geval is – als een maat van intellectuele capaciteit. Deze conditie bevatte het stereotype beeld dat de Afrikaanse Amerikanen minder intelligent zouden zijn. In de experimentele conditie werd de test gepresenteerd op een non-evaluatieve manier. De respondenten werd verteld dat de onderzoekers niet geïnteresseerd waren in het meten van hun capaciteit maar dat ze de test alleen maar wilden gebruiken om de psychologie van verbaal probleem oplossen te onderzoeken. In de controle conditie scoorden de Afrikaans Amerikaanse respondenten veel lager dan de blanke. Voor de blanke respondenten was er geen verschil in hun scoren tussen de controle conditie en de experimentele conditie. Voor de Afrikaans Amerikaanse respondenten was er een groot verschil tussen de controle conditie en de experimentele conditie. Ze losten ongeveer twee keer zoveel problemen op van de test in de experimentele conditie. Bovendien was er geen verschil tussen de prestaties van beiden groepen.
Experiment 2: Aronson, Lustina, Good, Keough, Steele & Brown (1999)
In dit experiment vroegen de onderzoekers hoog-competente blanke mannen om een moeilijke wiskunde test te maken. In de controle conditie werd de test op normale wijze afgenomen. In de experimentele conditie werd de volgende informatie toegevoegd: De onderzoekers vertelden de respondenten dat één van hun redenen voor het doen van het onderzoek was om te begrijpen waarom Aziaten beter lijken te presteren op dit soort tests. Zodoende creëerden zij kunstmatig een stereotype threat. In de experimentele conditie losten de respondenten significant minder van de problemen van de test op en voelden zij zich minder zeker over hun presteren.
Experiment 3: Shih, Pittinsky & Ambady (1999)
In dit experiment werd een moeilijke wiskunde test gegeven aan Aziatische vrouwen onder drie condities. In conditie één werden ze op subtiele wijze aan hun Aziatische identiteit herinnerd. In conditie twee werden ze op subtiele wijze aan hun vrouwelijke identiteit herinnerd. In de controle conditie werden ze niet aan hun identiteit herinnerd. De vrouwen die herinnerd waren aan hun Aziaat-zijn presteerden beter dan de controle groep, terwijl zijn die aan hun vrouw-zijn waren herinnerd slechter scoorden dan de controle groep.
Hoe schaadt stereotype threat presteren?
Vandaag de dag wordt er over de hele wereld onderzoek gedaan naar stereotype threat door vele onderzoekers. Er is veel inzicht verkregen in wat het is en hoe het werkt. Kortweg kun je het als volgt beschrijven. Je kent je groepsidentiteit en je weet hoe de maatschappij die ziet. Je bent je er van bewust dat je een taak doet waarvoor die zienswijze (het stereotype) relevant is. Je weet, op zeker niveau, dat je je in een hachelijke situatie bevindt: Je prestatie zou een negatieve zienswijze op je groep en op jouzelf als lid van die groep kunnen bevestigen. Het kan zijn dat je je niet bewust angstig voelt maar je bloeddruk stijgt en je begint te zweten. Je denken verandert. Je brein slaat op hol: je wordt heel alert op alle dingen die relevant kunnen zijn voor de bedreiging en voor wat jou kansen zijn om de bedreiging te vermijden. (De boektitel komt van een waargenomen gedrag: een Afrikaans Amerikaanse man die Vivaldi floot om duidelijk te maken dat bepaalde stereotyperingen die men heeft over deze groep niet op hem van toepassing zijn). Je begint enige twijfeld aan jezelf te krijgen en begint je zorgen te maken over hoe gegrond het stereotype misschien is. Je begint om constant te monitoren hoe goed je het aan het doen bent. Je probeert hard om bedreigende gedachten te onderdrukken over slecht presteren en over de negatieve consequenties van mogelijk falen. Terwijl je al deze gedachten hebt raak je afgeleid van de taak waar je mee bezig bent en je concentratie en werkgeheugen leiden daaronder.
Treden deze effecten altijd op? Nee. Er is één voorwaarde: de persoon in kwestie moet geven om het leveren van de betreffende prestatie. De angst op het stereotype te bevestigen is alleen dan voldoende om je van streek te maken en je van je taak af te leiden. Het is verder bekend dat stereotype threat de grootste negatieve impact heeft wanneer mensen heel gemotiveerd zijn en moeten presteren op de toppen van hun kunnen.
Oplossingen: prestatieverschillen overbruggen door kleine interventies
Kan er iets aan gedaan worden? Ja. Het veelbelovende nieuws is dat er een aantal tamelijk kleine interventies is die behoorlijk kunnen helpen. Experimenten hebben laten zien dat het subtiel verwijderen of voorkomen van stereotype threats prestatieverschillen tussen groepen grotendeels of helemaal kunnen wegnemen.
Voorbeelden van nuttige interventies zijn:
1) maak duidelijk in de manier waarop je negatieve feedback geeft dat je hoge maatstaven hanteert en laat de persoon weten dat je verwacht dat hij of zij zal kunnen gaan slagen.
2) verhoog het aantal mensen uit de sociale categorie in de setting zodat een kritieke massa wordt bereikt en mensen uit die categorie zich veiliger voelen.
3) maak duidelijk dat je diversiteit waardeert,
4) stimuleer gesprekken tussen leden van verschillende groepen en definieer die als leerervaringen,
5) sta de gestereotypeerde individuen toe op de techniek van zelfbevestiging toe te passen,
6) help de gestereotypeerde individuen om een narratief te ontwikkelen over de setting waarin hun frustraties worden uitgelegd en waarin een positieve betrokkenheid en het bereiken van succes in de setting worden geprojecteerd.
Conclusie
De toon van die boek is informeel, vriendelijk en persoonlijk en de inhoud is diepzinnig. Het onderwerp is zeer relevant, zowel voor de ontwikkeling van de sociale psychologie als voor ons onderwijs en maatschappij als geheel. het kan natuurlijk ook inspiratie vormen voor verder onderzoek in de positieve psychologie: Hoe zijn bepaalde individuen erin geslaagd om de stereotype threat te overwinnen, hoe zijn bepaalde organisatie en maatschappijen hierin geslaagd?
Literatuur
* Ik ben in het bijzonder onder de indruk van het werk dat Steele heeft gedaan in samenwerking met Joshua Aronson, die thans een eminent professor at New York University is.
Een Engelstalige versie van deze recensie is op 14 mei 2010 geplaatst op de website Positive Psychology News Daily
Op deze site blogt Coert Visser over de toepassing van de oplossingsgerichte benadering in organisaties.
