© 2008, Coert Visser & Sue Young
Sue Young verdeelt haar tijd tussen gedragsondersteuning aan scholen en training in de oplossingsgerichte aanpak. Ze pleit voor het toepassen van oplossingsgericht werken om succes op alle niveaus in scholen te stimuleren. Tot haar initiatieven behoren het invoeren van nationaal beleid in scholen, het helpen van locale schoolhoofden om positieve gedragingen bij leerlingen te stimuleren en het ondersteunen van individuele kinderen en ouders. Eén van de bijzondere interesses van Sue is het bevorderen van een antipest mentaliteit. Halverwege de jaren negentig ontwikkelde ze de steungroepaanpak om te reageren op incidenten die te maken hadden met pesten. Later ontdekte ze hoe goed haar benadering aansloot bij oplossingsgericht denken en sinds dat moment past ze oplossingsgerichte principes toe in al haar werkgebieden. Dus … wat is de steungroepaanpak en hoe werkt hij? Is hij moeilijk toe te passen? Hoe helpt hij? Vind antwoorden op deze vragen en meer in dit interview.
COERT: Hallo Sue, kun je uitleggen, voor lezers die er nog niet eerder van hebben gehoord, wat de steungroepaanpak is?
SUE: Kort gezegd is de steungroepaanpak een oplossingsgerichte strategie voor het oplossen van klachten over pesten, vooral in basisscholen. Ik denk dat het een goed voorbeeld is van een ‘oplossingssleutel’ (een woord van Steve de Shazer) omdat de eenvoud van een interventie het mogelijk maakt om hem toe te passen in een brede range van omstandigheden. Het kind dat van streek is wordt geïnterviewd om uit te vinden wie hij of zij op het moment lastig vindt om mee om te gaan, welke andere kinderen in de buurt zijn als ze het moeilijk hebben en wie zijn of haar vriend is of vrienden zijn. Er wordt hem of haar niet gevraagd om informatie over wat er precies gebeurd is. Het kind wordt gerustgesteld dat dingen beter zullen beginnen te gaan en dat een groep kinderen, gekozen uit de namen die zij hebben genoemd, zal worden gevraagd om te helpen. Het kind wordt gevraagd om op te letten op alles wat beter gaat zodat hij of zij je erover kan vertellen wanneer je een tweede gesprek hebt na een week. Een steungroep van idealiter 5 tot 8 kinderen wordt gevormd uit de genoemde namen. Met deze groep wordt apart gesproken en aan hen wordt eenvoudigweg gevraagd om te helpen met als doel om het kind om wie het gaat gelukkiger te maken op school. Er wordt geen verklaring gegeven over de reden waarom het kind wellicht niet gelukkig is. Het is belangrijk dat degene die het gesprek leidt het woord ‘pesten’ helemaal niet gebruikt en probeert om welk oordeel dan ook over wat er is gebeurd te vermijden. De kinderen wordt gevraagd om ideeën van kleine dingen die zij zouden kunnen proberen en er wordt een afspraak gemaakt voor een week later om te bespreken wat ze hebben kunnen doen.
COERT: Oké, en wat gebeurt er een week later in de vervolggesprekken met het gepeste kind en in het gesprek met de steungroep?
SUE: In het vervolggesprek wordt aan het kind waar het over gaat gevraagd welke dingen beter gaan en het kind wordt geprezen voor hoe het de situatie heeft weten te hanteren. In het gesprek met de steungroep, dat daarna plaatsvindt, wordt aan de kinderen gevraagd hoe zij vinden dat het gaat en ieder kind krijgt de gelegenheid om te vertellen wat hij of zij heeft kunnen doen. Ze worden allemaal individueel bedankt voor hun hulp en dan gefeliciteerd met het groepssucces. Nog een week later kan nog een vervolggesprek worden gepland. Soms is het nodig om meer dan één gesprek te doen om ervoor te zorgen dat iedere vorm van plagen of pesten – dit wordt dan meestal gedaan door een kind dat niet in de steungroep zit – volledig stopt. Maar zelden is het nodig om vijf gesprekken te voeren. Het criterium om de groep te beëindigen is dat iedereen het erover eens is dat het kind nu gelukkig is op school: het kind zelf, de leden van de groep, medewerkers van de school en de ouders.
COERT: Ik begrijp hoe het werkt. Wat zie je als de belangrijkste kenmerken en voordelen van deze aanpak in vergelijking met andere antipest aanpakken?
SUE: Het is niet nodig dat het kind steeds maar weer vertelt wat er is gebeurd wat vaak als nadeel heeft dat het kind opnieuw getraumatiseerd en gedemoraliseerd wordt, terwijl het zich vaak al machteloos en angstig voelt om aan anderen te vertellen hoe hij of zij zich voelt. Bovendien kan het opnieuw bespreken van wat er gebeurd is deze gevoelens verder bekrachtigen. Het voelt voor het kind ook als minder riskant wanneer ze niet hoeven te ‘klikken’ over andere kinderen. De meeste andere aanpakken gaan er van uit dat pesten heeft plaatsgevonden, hoewel het in de praktijk heel lastig kan zijn om dit met zekerheid vast te stellen omdat pesten vaak buiten het blikveld van volwassenen plaatsvindt. Andere kinderen die weten dat het gebeurt, melden het zelden en iedereen die beschuldigd wordt van pesten is geneigd het te ontkennen. Dus het is erg moeilijk zijn om het te ‘bewijzen’. Gelukkig is het bewijzen dat pesten heeft plaatsgevonden niet aan de orde bij deze aanpak omdat er geen aannames hoeven te worden gevormd over wat er aan de hand is. Geen van de kinderen krijgt een etiket, zoals “pestkop” of “slachtoffer” – bij de aanpak terwijl tegelijkertijd wel de gelegenheid krijgen om eerder gemaakte fouten goed te maken als ze dat willen. Dat geldt ook, misschien verrassenderwijs, voor het kind over wie het gaat.
COERT: En wat is er anders in hoe de ouders betrokken worden bij het proces?
SUE: Als ouders een klacht hebben ingediend, krijgen ze regelmatige updates over hoe dingen zich ontwikkelen en ze worden betrokken bij het evalueren van vooruitgang. Dit stelt hen gerust in een erg moeilijke periode. Vaak worden ze bij traditionele aanpakken buitengesloten en krijgen ze geen feedback en dit kan de moeilijkheden verhevigen. Ze kunnen er zelfs van beschuldigd worden dat ze ‘overbeschermend’ zijn. Het is niet nodig om de ouders van andere kinderen te vertellen dat hun kind ervan beschuldigd is een pestkop te zijn wat vaak leidt tot spanningen tussen ouders die zelfs problematischer kunnen worden dan de oorspronkelijke klacht. Het is zelfs andersom: ouders kan verteld worden hoe behulpzaam hun kind is geweest. Ouders krijgen het te horen wanneer hun school effectief met pesten is omgegaan en ze waarderen het in hoge mate omdat het iets is waar veel ouders bang voor zijn dat het met hun kind gebeurt.
COERT: Hoe reageren kinderen meestal op de steungroepaanpak?
SUE: De kinderen vinden het leuk. We hebben kinderen geïnterviewd die in steungroep hebben gezeten en ze zeggen dingen als: ik vond het leuk om te doen, ik heb ook meer vrienden gemaakt, het maakte dat ik me belangrijker voelde, ik voelde me er gelukkiger door. Het leert kinderen een behulpzamere manier aan om te reageren op anderen en om zich goed te voelen over zichzelf. Op de langere termijn kan het helpen om de hele mentaliteit op een school te beïnvloeden. Sommige andere benaderingen, bijvoorbeeld assertiviteitstraining, beschuldigen impliciet het ‘slachtoffer’. Maar als je het pesten stopt zijn assertiviteit of lage zelfwaardering niet langer een probleem – en het is makkelijker en sneller om pesten op deze manier te laten stoppen.
COERT: Dit klinkt allemaal eenvoudig en aantrekkelijk. Wat kun je me vertellen over de effectiviteit van de aanpak? Heb je bijvoorbeeld onderzoek gedaan of op een andere manier systematische feedback verzameld?
SUE: Deze benadering is grondig onderzocht op resultaten in een groot aantal gevallen – we weten dat het werkt, terwijl bij de meeste andere benaderingen er geen evaluatie van resultaten wordt uitgevoerd (behalve bij oplossingsgerichte therapie wat we ook hebben onderzocht). Het werkt snel en het werkt op de lange termijn door. Andere benaderingen vertrouwen op de veronderstelde werkzaamheid van het proces. Voorbeelden hiervan zijn traditionele counseling, telefonische hulpverlening, straffen van overtreders, enzovoorts of op anekdotische informatie over een gering aantal cases. In een artikel dat ik schreef (lees het hier), beschreef ik twee soorten onderzoek: resultaatgerichte evaluatie en procesgerichte. Wat betreft het eerste en meest belangrijke soort, de resultaatgerichte evaluatie: in de eerste 50 steungroepen die ik leidde was er direct succes in 80% (40) van de gevallen. Dan wordt het geleidelijk iets minder- in 7 gevallen waren er tot 5 gesprekken nodig voordat iedereen er tevreden over was dat het kind gelukkig was op school en dat er geen pesten meer plaatsvond. Ik noem dat ‘vertraagd succes’. In 3 gevallen (6%) was ik niet helemaal tevreden hoewel er wel verbetering was. Het is belangrijk om vast te stellen dat geen enkel geval verslechterde. Wat trouwens interessant is, is dat wanneer de groep geleid werd door personeel van de school de uitkomsten zelfs nog beter lijken te zijn, meer dan 80% en gemiddeld minder gesprekken!
Hoewel dit onderzoek ongeveer 10 jaar geleden is uitgevoerd ben ik nog steeds geen andere studies tegengekomen van interventies tegen pesten die zo transparant zijn wat betreft resultaten of zo succesvol als deze bij een groot aantal gevallen (behalve een onderzoek naar oplossingsgerichte therapie dat ik samen met Gail Holdorf uitvoerde). Om die reden ben ik trots op dit artikel maar ook gefrustreerd. Al dat onderzoek dat gedaan wordt naar pesten – het ‘bewonderen van het probleem’! …. maar zo weinig onderzoek wordt gedaan naar wat werkt in individuele gevallen om het te stoppen.
COERT: Kun je een voorbeeld geven van een ervaring van een leerkracht die steungroepaanpak heeft gebruikt?
SUE: Voor een van onafhankelijke onderbouwing heb ik een assistent leerkracht getraind om steungroepen te begeleiden in basisscholen die speciale problemen hadden. Ze hield uitstekende dossiers bij die ze mij later ter beschikking stelde. Haar dossier laten zien dat ze ook meer dan 50 groepen had begeleid die alle effectief waren geweest. Zij liet echter altijd de steungroepen ongeveer 5 keer doorgaan, zelfs wanneer haar aantekening lieten zien dat er geen probleem meer was. Ik denk dat ze het gewoon leuk vond om te doen! Op deze school noemden ze de groepen ‘Vriendelijke Groepen’. Ik verwees naar haar werk in mijn hoofdstuk in het boek Solutions in Schools – maar zij wilde niet dat ik haar naam noemde! Behalve dit heb ik enorm veel feedback gekregen van individuen die het gebruikt hebben en heel positief waren. Natuurlijk is het zo dat iemand die niet succesvol was minder geneigd is om feedback te geven. Toch hebben zo veel mensen het succesvol geprobeerd, en wel bij een eerste poging, dat ik er zeker van ben dat het een heel robuuste strategie is.
COERT: Je noemde procesgericht onderzoek. Kun je dat uitleggen?
SUE: Zeker. Ik deed onderzoek naar processen die zich afspelen bij de steungroep, de theorieën in de sociale psychologie over hoe groepen werken en naar het gedrag van omstanders. Ik zocht naar een reden waarom de aanpak zo goed en zo snel werkte. Terwijl ik dit onderzocht kwam ik oplossingsgerichte therapie tegen. Het leek erop dat wat ik deed met steungroepen een goed voorbeeld was van oplossingsgericht werken, hoewel het geen therapie betrof. Meer recent heb ik onderzoek gedaan naar hoe kinderen die in een steungroep hebben gezeten erover denken. Ik heb enkele video’’s gemaakt van interviews met deze kinderen. Twee van deze kinderen hebben we meegenomen naar de EBTA (European Brief Therapy Association) conferentie in Krakau en ze deden mee aan onze workshop daar. Ze waren geweldig! Het lijkt zo voor de hand liggend voor hen: als iemand ongelukkig is op school vraag je andere kinderen om te helpen …. Natuurlijk werkt dat ….. natuurlijk vinden ze dat leuk ….. wat is daar nou zo moeilijk aan te begrijpen…?!
COERT: Klinkt logisch inderdaad. Heb jij ervaring met of gedachten over een situatie waarin sprake is van agressie en fysiek geweld? Zou je dan ook aanbevelen om de steungroepaanpak te gebruiken op dezelfde manier of moeten er dan aanvullende of andere dingen gebeuren?
SUE: Ik heb de steungroepaanpak gebruikt in situaties waarin kinderen blauwe plekken of blauwe ogen hadden of waren geschopt en dergelijk en in lange termijn gevallen waarin pesten meer dan een jaar lang een probleem lijkt ze zijn geweest, soms bij opeenvolgende scholen. Maar ik beveel het gebruik van steungroepen aan op basisscholen en kinderen doen elkaar in de meeste gevallen geen zeer ernstige dingen aan op die leeftijd. Ik heb nooit een geval op een basisschool meegemaakt waarin ik het niet kon aanbevelen. Hoewel ik ook steungroepen succesvol heb begeleid op middelbare scholen, zou ik het niet universeel aanbevelen voor iedere situatie. Ik herinner me bijvoorbeeld een geval van een tienermeisje waarin er sprake was van het seksueel lastigvallen door twee of drie jongens. Ik zou me niet comfortabel hebben gevoeld om een steungroep te begeleiden waarin die jongens zouden hebben gezeten (ik ben er trouwens niet zo zeker van of je dit ‘pesten’ kunt noemen, hoewel op het nieuws onlangs een moord van een schooljongen ‘pesten’ werd genoemd. Bij iets dat zo ernstig is wordt de politie normaal gesproken ingeschakeld en ik zou een dergelijk onderzoek niet willen verstoren. Normaal gesproken worden studenten ook geschorst van school terwijl zo’n onderzoek plaatsvindt. Bij ernstige gevallen op middelbare scholen zou ik aanbevelen om oplossingsgerichte therapie toe te passen om het ‘slachtoffer’ te ondersteunen als dat gewenst was. Ik schreef een artikel met Gail Holdorf over het succes van het gebruik van oplossingsgericht werken met oudere studenten. Er zijn andere redenen waarom een steungroep niet passend kan zijn op een middelbare school, bijvoorbeeld wanneer de student niet wil dat er iemand anders bij betrokken wordt en dat zouden we respecteren.
Het is interessant dat het antipest project zelden te maken heeft gehad met verwijzingen van pesters – bijna alle verwijzingen betroffen kinderen die gezien werden als ‘slachtoffers’. Nu ik part time werk voor een schoolbegeleidingsdienst krijg ik verwijzingen van studenten voor het beheersen van boosheid; soms worden gewelddadig uitbarstingen genoemd en pesten wordt soms genoemd. Deze individuele gevallen begeleid ik ook met oplossingsgerichte therapie. Ik heb het met hen dus individueel over ‘rustig blijven’, ‘doorgaan met je werk’, of ‘op school blijven’ (niet geschorst worden) – wat het ook maar is dat ze willen veranderen. Dit is niet zo succesvol wat betreft resultaten als ik zou willen maar nog steeds veel beter dan andere aanpakken die ik heb gebruikt in het verleden. Het kan moeilijk zijn om vooruitgang op te merken of om vooruitgang op te merken die door andere leerkrachten als betekenisvol wordt gezien. In het algemeen vind ik het werken met leerkrachten en andere medewerkers van de school meer effectief wat betreft resultaat als het gaat om kinderen met gedragsproblemen.
COERT: Als laatste zou ik willen vragen: wat voor praktische suggesties heb je voor leerkrachten die dit willen uitproberen?
SUE: Je hebt er niet veel training of speciale expertise voor nodig – alleen maar een bereidheid om iets anders te proberen. Het is dus heel toegankelijk voor mensen die op scholen werken. Ik denk dat het heel nuttig zou zijn om een case studie te lezen; er staat er een in Interviewing for Solutions en ook een in mijn hoofdstuk in Solutions in Schools dat ik eerder noemde. Ik hoop binnenkort een nieuw boek uit te brengen, mijn oude, Solutions to Bullying, is niet meer verkrijgbaar. Iedereen die de groep leidt moet onthouden dat de suggesties voor het gelukkiger maken van het kind allemaal moeten komen uit de groep – en de verleiding weerstaan om hen aanvullende informatie of advies te geven. Wanneer mensen mij een groep hebben zien leiden op een school, zoals meestal het geval was, zeiden ze dat het meest verrassende was dat ik het helemaal niet over pesten heb, noch met het ‘slachtoffer’, noch met de groep. Alle mensen op scholen die het hebben gebruikt vinden het prachtig! Leerkrachten en kinderen leren de effectiviteit van oplossingsgericht werken kennen. Mijn tip is om gewoon de richtlijnen te volgen en het eenvoudig te houden!
Wat het meest bemoedigende is, is dat de oplossingsgerichte steungroepen, wanneer ze goed worden gebruikt, bijdragen aan een atmosfeer in de school waarin het minder waarschijnlijk is dat pesten überhaupt voorkomt.
***
Coert Visser, www.m-cc.nl
Literatuur
-
Ajmal, Y. & Rees, I. (2001). Solutions in Schools: Creative Applications of Solution Focused Brief Thinking with Young People and Adults. London: BT Press
-
De Jong P. & Berg I.K. (2008). Interviewing for solutions, 3d ed..Brooks/Cole.
-
Young, S. (1998). The Support Group Approach to Bullying in Schools. Educational Psychology in Practice Vol 14, No 1, April 1998
-
Young, S. & Holdorf, G. (2003). Using solution focused brief therapy in individual referrals for bullying. Educational Psychology in Practice, 19(4), 271-282.
-
Young, S. (2002). Solutions to Bullying. NASEN.
zie ook: De steungroepaanpak – interview met Sue Young
Tags: antipest-aanpak, Boeken & artikelen, Coaching & advisering, coert-visser, oplossingsgericht-werken, Solution-focused, steungroepaanpak, Sue-Young, supportgroup-approach
2 Reacties
[...] de website oplossingsgericht management van Coert Visser staat een interessant artikel: ”De steungroepaanpak, interview met Sue Young“. Het artikel gaat over een bijzondere aanpak voor het oplossen van klachten over pesten op [...]


Coert, dank je wel voor dit interview met Sue Young. Ik had al eerder van de steungroepaanpak gehoord en er nog niet eerder in zulke heldere en inspirerende bewoordingen over gelezen. Het roept ook een beeld bij me op van kleine gemeenschappen zoals buurtbewoners die deze aanpak toepassen bij het oplossen van allerlei overlast situaties in hun wijk of buurt. Hoewel dit een andere situatie is dan een school kan ik me voorstellen dat deze aanpak daar ook waardevol kan zijn.