Een tijdje geleden schreef ik op mijn Engelse blog de post How did they do it? In die post riep ik lezers op om de vraag te helpen beantwoorden hoe Steve de Shazer en Insoo Kim Berg en hun collega’s van het Brief Family Therapy Center precies te werk gingen toen zij de oplossingsgerichte aanpak op een inductieve manier ontwikkelden. de standaard bekende uitleg hierover is dat zijn allerlei therapeutische technieken uitprobeerden en alleen vasthielden aan wat goed bleek te werken. Dit begreep ik wel ongeveer. Maar wat ik niet precies doorhad is hoe zij opmerkten en besloten dat iets werkte. Waar letten zij precies op en wanneer? Inmiddels heb ik antwoorden ontvangen op mijn vraag van insiders als Wally Gingerich, Eve Lipchik, Alasdair Macdonald, Peter DeJong, Michele Weiner-Davis, Brian Cade, Daniel Gallagher, Gale Miller, en Kate Kowalski (een deel van deze mensen werkte toentertijd op het BFTC). Het was erg leuk om van deze mensen te horen hoe de oplossingsgerichte aanpak ontwikkeld werd. Elk van deze mensen deelde hun ervaringen met plezier en enthousiasme. Eén van hen noemde deze periode de meest intellectueel stimulerende periode van zijn carrière. Hieronder staat hoe ik hun antwoorden heb getracht samen te vatten en te integreren.
Steve en Insoo begonnen in 1978 hun eigen praktijk, het Brief Family Therapy Center (BFTC). Oorspronkelijke leden van het Center team waren Jim Derks, Marvin Weiner, Elam Nunnally, Eve Lipchik, Alex Molnar en Marilyn LaCourt. Later kwamen daar onder andere Wally Gingerich, Michele Weiner Davis, John Walter, Kate Kowalski, Ron Kral, Gale Miller, Scott Miller en Larry Hopwood bij (Cade, 2007).
Al deze mensen hebben wel één of meer bijdragen geleverd aan de ontwikkeling van oplossingsgericht werken. Omdat Steve en Insoo en hun collega’s nauwelijks geld hadden, werkten ze aanvankelijk van huis uit, later huurden ze een kantoor. Hun missie was om uit te vinden wat werkte in therapie. Ze wilden niet vanuit een specifieke theorie te werk gaan. In plaats daarvan wilden zij inductief kennis opbouwen. Ze startten met het identificeren van traditionele therapie-elementen en verwijderden die element voor element uit de sessies. Vervolgens observeerden zij of het resultaat van de gesprekken beïnvloed werd door het verwijderen van de afzonderlijke elementen. Ze ontdekten dat analyseren en diagnosticeren konden worden verwijderd uit het therapiegesprek zonder negatieve consequenties voor de resultaten voor de cliënt.
In aanvulling op de aanpak van systematisch verwijderen van traditionele elementen deze zij verschillende andere dingen. Een ding was dat ze actief studie maakten van ‘therapeutische ongevallen’ ofwel spontane gebeurtenissen in therapeutische gesprekken. Wanneer de therapeut of de cliënt iets deed dat leek te werken, bediscussieerden zij dit en probeerden het opnieuw. Terwijl ze erachter probeerden te komen wat werkte, observeerden zij cliënten tijdens echte therapiegesprekken en op video opgenomen gesprekken. Ze zochten naar interventies die cliënten hielpen om helderder te formuleren wat ze wilden bereiken, die cliënten hielpen om meer vertrouwen in hun mogelijkheden te krijgen en die hielpen om stappen vooruit te ontdekken. Elke interventie die er aan bijdroeg dat cliënten zich bewuster werden van wat ze wilden bereiken, die hen optimistischer maakte, meer hoopvol, energiek en ideeënrijk werd genoteerd, besproken in het team en vaker gebruikt.
Terwijl het model zich ontwikkelde werd de stem van de cliënt een steeds belangrijker criterium. Elke keer dat een cliënt rapporteerde dat een interventie had geleid tot een positieve verandering beschouwde het team die interventie als nuttig. Meer en meer stelden zij ‘wat werkt’ gelijk aan wat cliënten beschouwden als nuttig. In aanvulling op de bovengenoemde dingen verrichten zij verschillende kwantitatieve studies om de effectiviteit van de interventies te onderzoeken (Weiner-Davis, De Shazer & Gingerich, 1987). Ook deden zij pogingen om de aanpak te formaliseren en te vervatten in een expertsysteem (het BRIEFER project, Gingerich & De Shazer, 1991) en verrichten zij verschillende kwalitatieve studies. Ze identificeerden veel interventies die goed werkten en stap voor stap bouwden ze een verzameling van oplossingsgerichte interventies op.
Maar ze deden nog een andere belangrijke ontdekking. Ze leerden dat wat goed werkte bij de ene persoon niet noodzakelijkerwijs goed werkte bij de volgende. Hierdoor realiseerden zij zich hoe belangrijk het was om nauwkeurig aandacht te besteden aan hoe individuele cliënten reageerden op wat er ook maar gebeurde tijdens de gesprekken en hoe ze dit konden benutten. Tussen 1978 en 1985 was de basis gelegd voor wat nu bekend staat als de oplossingsgerichte benadering.
Lees ook: Een korte geschiedenis van oplossingsgericht werken
Tags: Alasdair-Macdonald, bftc, Brian-Cade, Brief-Family-Therapy-Center, Coaching & advisering, Daniel-Gallagher, Eve-Lipchik, Gale-Miller, insoo-kim-berg, Kate-Kowalski, Mensen, Michele-Weiner-Davis, Ongerubriceerd, oplossingsgericht-werken, Peter-DeJong, sfbt, Solution-focused, steve-de-shazer, Wally-Gingerich

